Geplaatst door Bettina van Santen za, oktober 29, 2011
12:42:23

Heel fijn om zo’n
uitgebreide en informatieve reactie te krijgen. De waterrups lijkt dus vooral
een niet-realistische uitvinding van een vasthoudende Kolkman. Maar toch heeft
men bij Jongerius aan bouwkundige Van Bentum opdracht gegeven een waterrups uit
te tekenen. Zouden er meer bedrijven zijn geweest die het principe toch wilden
uitproberen?

Geplaatst door Fons Alkemade ma, oktober
24, 2011 22:12:28

Toevallig weet ik meer van de Waterrups. Dat komt doordat ik in de jaren 90
het archief van de Delftse hoogleraar J.M. Burgers (JMB) heb geordend en
bestudeerd. Burgers is al begin jaren 30 benaderd door Kolkman en daarna kwam
hij niet meer van deze uitvinder/fantast af.

Hieronder ziet u passages uit het archief die ik een tijd geleden heb
uitgetikt. Er zitten wat tikfouten in en ik heb niet alle citaten uitgetikt,
maar het geeft wel een beeld.

In 1932 krijgt JMB een brief van een prof.dr.ir. H. Gelissen uit Maastricht
die weer een vraag van ene Kolkman uit Amby had gekregen. K. had een
hydrostatisch verschijnsel gevonden en kon geen verklaring vinden. JMB vraagt
K. langs te komen; K. schrijft hem eerst een brief met uitleg: “Ik heb een
werktuig geconstrueerd …”.

25 1 1932

JMB schrijft K. na het gesprek een brief met theoretische beschouwing,
zonder een oordeel over bruikbaarheid te geven. K. schrijft JMB een dankbrief
en zegt dat hij de beschouwing heeft begrepen. In 1933 krijgt Gelissen echter
opnieuw een brief van K., die twee dictaten over zijn vinding blijkt volge­schreven
te hebben; G. vraagt JMB om advies. K. heeft inmiddels andere ingenieurs en
wetenschappers lastig gevallen en beweert o.a. dat Van Iterson de technische
haalbaarheid heeft bevestigd. JMB schrijft G. dat er in de beschouwingen van K.
een zwak punt zit dat de zaak in duigen gooit.

K. hoort hiervan van G. maar schrijft weer een brief aan G. waarin hij
uitlegt dat JMB zich vergist heeft. JMB ziet dat K. er weinig van begrijpt en
vraagt hem weer langs te komen. Daarna lijkt K. een ander project op te willen
zetten waarin uit eb en vloed energie wordt onttrokken d.m.v. schotten. K.
heeft zelfs Karman om advies gevraagd. JMB wijst in een volgende brief op de
praktische onuitvoerbaarheid van het plan en ziet in dat het voorstel min of
meer op een perpetuum mobile neerkomt.

En Thijsse wees er in een gesprek met hem op dat een eb en vloed verschil
van 22 m nodig zou zijn; dit bestaat niet eens in Nederland!

K. schrijft in nov. 1934 terug dat hij op eigen kosten een proefop­stelling
heeft gebouwd. Uit zijn brief: “Nadat ik de vereischte proeven genomen
…”.

27 11 1934

Van Iterson wil niet komen, volgens K. omdat men in zijn vinding
concurrentie van de Staatsmijnen ziet mbt energieopwekking. Ook G. schrijft hem
dat hij moet stoppen. K. voelt zich “verplet­terd”. “Ik sta nu,
met 5

nog jonge kinderen bij vreemden en pension, zonder middel van bestaan; en
dat alleen als gevolg van (U vergeve mij de uitdrukking) misleiding.”

K. vraagt JMB hem een rapport te mogen toezenden over de proeven. JMB mag
ook altijd komen kijken en testen.

“Moge mijn hoogst onaangename positie waarin ik ben gekomen …”.

JMB weet niet goed wat ermee aan te vangen en vraagt Van Iterson om raad en
om uitleg over de werkelijke gang van zaken rond K. “Het is voor den man
zelf wel droevig; ik had …”.

13 12 1934

Iterson legt de zaken uit. G. had ingenieurs naar K. gestuurd om de zaak te
bekijken maar zij oordeelden ongunstig. Toch gaf men hem wat geld; je wist maar
nooit … K. werd ontslagen omdat hij door reorganisatie niet meer nodig was;
bovendien was men niet over hem tevreden.

“Ik ben zeer bevreesd, dat de heer Kolkman door zijn idée fixe zijn
ogeluk tegemoet gaat, …”.

14 12 1934

In dec. 34 schrijft JMB K. nog maar eens met de oproep te stoppen met zijn
experimenten en de mededeling dat hij niet naar Limburg zal komen. Hij betreurt
zijn persoonlijke omstandigheden maar kan niets doen.

In feb. 1935 schrijft K. opnieuw naar JMB. K. is teleurgesteld over JMB’s
houding en K. probeert uit te leggen waar JMB de mist in ging met zijn
beschouwing. Inmiddels, zo kan K. melden., hebben zijn proeven de juistheid van
zijn hypothese bevestigd. K. beschuldigt JMB ervan hem te gronde te hebben gericht
en acht het niet meer dan normaal dat JMB hem opnieuw zal helpen. Het minste
wat hij kan doen is K.’s bijge­werkte

theorie goed te keuren. JMB schrijft hem dat hij geen tijd heeft en roept
K. nogmaals op met zijn plannen te stoppen.

K. besluit een artikel over zijn werk naar De Ingenieur te sturen, waarover
JMB’s oordeel wordt gevraagd door redacteur Cool. JMB legt Cool nog maar eens
uit wat er allemaal mis is in de berekeningen.

De volgende brief is van april 1939. K. noemt zich inmiddels
“hydrotechnicus” en op het brief papier staat “Hydrotechnisch
Bureau A.R.K.O.S. Waterkrachtinstallaties, Drinkwatervoorziening, Pompen
Motoren,

enz.” uit Eindhoven. K. meldt dat hij licentiehouder van een
Nederlands octrooi is op een “Hydro motor” dat op naam van ene
Tummers staat.

“Dit werktuig heeft ten doel … de bewegingsenergie van stroomend
water te benutten voor het aandrijven van één of ander werktuig.” Dit oude
ontwerp blijkt tot een nieuw model “Onder­slag Waterrad” omgebouwd te
zijn en dit wordt getest. “teneinde nu ons werktuig bekendheid te geven,
hebben wij het voornemen eenige artikelen ter plaat­sing aan een dagblad aan te
bieden en tegelijkertijd een min of meer wetenschappelijke verhandeling te
geven in een der technische periodieken.” Maar eerst wil men advies van
JMB. Deze geeft op een velletje precies aan waar de schoen in K.’s beschouwing
wringt. Ook Thijsse wordt het zat en meldt JMB dat “de stakker” nu
zelfs is overgegaan tot het schrijven van requesten aan de minister.

JMB schrijft het Department van Waterstaat in mei 1940 hier­over:

“Zooals reeds eerder is medegedeeld, meent de heer Kolkman uit
stromend water meer energie te kunnen halen, dan wordt aangevoerd. …”.

23 5 1940

Het ministerie neemt de mening van JMB en Thijjse over en schrijft K. dat
“geen aanleiding gevonden kan worden deelneming van de Nederlandsche
Regeering in de exploitatie van Uw systeem van energiewinning te
bevorderen.”

K. blijft JMB echter bestoken met argumenten dat Thijsse en hij zich
vergissen.

In feb. 42 schrijft K. opnieuw. Enige ingenieurs van het WL hebben een
onderzoek gedaan naar zijn “waterkrachtwerktuig” dat inmiddels
Waterrups wordt genoemd.

Naar aanleiding vna het rapport gaat JMB weer rekenen en vindt een bijna
even grote opbrengst van de rups als uit de experimenten blijkt. Men meldt K.
dat nu is aangetoond dat hij inderdaad iets over het hoofd heeft gezien.

In maart 1943 blijkt er een “studieraad ter bestudeering van de
waterkrachtinstallatie de ‘Kolkman’ waterrups” te bestaan. J.M. Figee
meldt vanuit het Bureau van den Leider dat de studieraad is opgezet. Men vraagt
JMB of hij zo spoedig mogelijk wil komen praten. In de raad zit ook ir. E. van
Dieren, dan voorzitter van het College van Curatoren der Technische Hogeschool.
JMB vraagt hem eerst eens met hem te kunnen praten. Twee maanden later meldt
Van Dieren dat hij ziek was, maar dat hij eigenlijk helemaal niets van Kolkman
weet en alleen door een officiële instantie is benoemd. K. komt weer met
meetresultaten, die zijn gelijk moeten aantonen. K. krijgt opdracht van de Stu­dieraad
aan de hand van de metingen van het WL een installatie te bouwen. JMB wordt
door de Leider weer om een oordeel gevraagd.

JMB antwoordt beleefd op de brieven die volgen en rekent voor wat wel en
niet kan. Hij vraagt beleefd op sommige punten of men zich niet in getallen of
formulering heeft vergist (waaruit zonneklaar blijkt dat de raad er weinig van
begrijpt).

Uit een brief van de Leider aan JMB van juli 1943 blijkt dat men het
ontwerp ook aan de Inspecteur Generaal voor Water en Energie in Berlijn heeft
voorgelegd en deze vindt op sommige punten andere getallen dan JMB. K. blijkt
inmiddels begonnen te zijn met de bouw van een proefmodel. JMB meldt Van Dieren
zijn scepsis: “De mededeeling dat men nog wil wachten op de resultaten van
verdere laboratoriumproeven omtrent de kleinst mogelijke afstand der schoepen
…”.

8 7 1943

In een brief aan de Leider meldt JMB dat de beschouwingen uit Berlijn niet
bruikbaar zijn, dat de berekeningen van K. voor de maten van zijn model niet
helemaal goed zijn en dat de enorme con­structie die gemaakt zou moeten worden
voor de echte waterrups maar 40 pk zal leveren; JMB vraagt of dit nog wel
zinvol is. Ook legt JMB uit dat K. gewoon niet voldoende kennis van zaken
heeft. JMB heeft inmiddels behoorlijk wat berekeningen aan de rups besteed.

JMB discussieert weer met K. maar uiteraard zonder vrucht. De Leider meldt
vervolgens dat JMB’s beschouwingen helemaal niet op de rups betrekking hebben!
Wel wil men nog wat andere dingen van JMB weten. JMB legt nog maar eens
uitvoerig uit dat zijn beschouwing wel degelijk ter zake is en hij blijft erbij
dat

de waterrups economisch niet verantwoord is. Aan Van Dieren schrijft JMB
dat hij ernaar verlangt dat de zaak nu ten einde is. De Studieraad vindt het
daarop nodig dat nieuwe, en dit­maal wel bruikbare, metingen worden gedaan bij
het WL. Zij meent dat JMB’s berekeningen wel goed zijn, maar dat zijn veronder­stellingen

niet deugen. Uiteindelijk melden JMB en Thijsse in okt. 1943 aan de
Secretaris Generaal van het Dep. van Waterstaat dat Kolkman niet voldoende
deskun­dig is en dat de Raad de gedane metingen niet wil accepteren, zodat men
niet verder komt. Thijsse wil geen proeven meer doen in het WL.

Pas na de bevrijding gaat de correspondentie door. JMB krijgt een brief van
prof. J. Goudriaan, regeringsadviseur voor energie­voorziening die hem op 12 7
1945 vraagt naar de levensvatbaarheid van de rups. In zijn antwoord legt JMB de
zaak nog eens helder uit:

“Het is merkwaardig welk een lang leven sommige niet bizonder
vruchtbare gedachten vertonen. …”.

JMB is uiteraard zeer verwonderd dat de zaak nog altijd blijkt te spelen.
Nieuwe proeven acht hij zeker niet nodig. Goudriaan blijkt niet van K.’s
relatie met de NSB op te hoogte te zijn geweest.

In jan. 1946 ontvangt JMB zowaar toch weer een brief van K. Deze blijkt een
octrooi te hebben aangevraagd op zijn werk­tuig. Of JMB wil meehelpen aan het
schrijven van K.’s verweer­schrift.

JMB is furieus. Vanuit Manchester schrijft hij: “Ik sta verbaasd over
Uw ongelofelijke brutali­teit; …”.

2 2 1946

K. verweert zich. Zijn zoons hebben bij het verzet gezeten en één is vlak
voor de bevrijding gefusilleerd. Samen met een pater heeft hij de eerste
experimenten opgezet en kreeg ver­volgens ongevraagd steun van Waterstaat
tijdens de oorlog en werd een Studieraad opgezet. “Ik heb den voorzitter
van dien raad … medegedeeld geen geestverwant te zijn, wat deze echter geen
bezwaar vond.”

Een verslag van de affaire tot 1944 is ook te vinden in de notulen van een
vergadering van het bestuur van de Stich­ting Waterbouwkundig Lab. van 31 1
1944, wanneer het WL opdracht krijgt van de Commissaris voor niet commercieele
Verenigingen en Stichtingen om Kolkman en leden van de Studieraad te helpen bij
het doen van nieuwe metingen.